Historiek

De idee om zijn toevlucht te zoeken tot het cremeren van lijken bij wijze van begrafenis, gaat in ons land terug tot ongeveer een eeuw geleden.
In 1930, op initiatief van de Cooperatieve Vennootschap voor Crematie (privé inrichting) werd een crematorium gebouwd in Ukkel.
Destijds liet de wet de crematie niet toe maar verbood het echter ook niet. De Wetgever reageerde onmiddelijk en op 21 maart 1932 werd een wet betreffende de crematie van lijken afgekondigd.

Deze vertrouwde namelijk de crematie toe aan de enige publieke dienst. Twaalf brusselse gemeenten (Brussel, Anderlecht, Vorst, Ganshoren, Elsene, Jette, Koekelberg, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Gillis, Sint-Joost-ten-Node, Schaarbeek en Ukkel) richtten een intercommunale vennootschap op ten einde de installaties te kopen en het crematorium te kunnen uitbaten. Momenteel, zijn het nog altijd dezelfde gemeenten die onze inrichting besturen.
Destijds moesten de assen verplicht begraven worden.

In 1963 liet de Katholieke Kerk de crematie van de gelovigen toe.

In 1971 is een nieuwe wet gepubliceerd. Deze schafte, namelijk, de verplichting af om over een geschrift te beschikken van de overledene om de crematie te kunnen uitvoeren.
In 1977 verplichtte een nieuwe wet elke gemeente om over een strooiweide te beschikken en over een colombarium in het gemeentelijke kerkhof.

9 nieuwe inrichtingen werden gebouwd. Ons land beschikt zo, momenteel, over 10 crematoriums (5 publieke en 5 privés).

In 1989 gaf een Koninklijk Besluit de mogelijkheid aan elke persoon om zijn laatste wilsbeschikking inzake teraardebestelling te laten opnemen in het bevolkingsregister van zijn gemeente.

In 1990 regelde een Koninklijk Besluit de uitstrooiingswijze van de assen in de zee (territoriale zee).

In 1992 werd een commissie opgericht op initiatief van Mijnheer Louis Tobback, Minister van Binnenlandse Zaken, die uitdraaide op de afkondiging van een nieuwe wet in 1998.
De belangrijkste wijziging was toen we de creatie en de uitbating van een crematorium moesten overlaten aan de overheidsdienst.
De privé-inrichtingen beschikken over 5 jaar om aan de wet te voldoen.
In 1999 verplichtte een wet het gebruik van een oplosbare urn in water tijdens de uitstrooiing van de assen in zee (uitstrooiing door onderdompeling).

Sinds 2000 is de overschrijving in het bevolkingsregister van de laatste wilsbeschikking duidelijker geworden door er de plaats van de teraardebestelling aan te duiden.

In 2001 liberaliseerde een nieuwe wet de bestemming van de assen door de mogelijkheid te bieden om ze te bewaren, uit te strooiien of door ze te begraven in een andere plaats dan een kerkhof of de territoriale zee.

Deze ordening is ondergeschikt aan het bestaan van een geschrift voorafgaand van de overledene waar de wijze van teraardebestelling, de plaats en de verantwoordelijke persoon precies omschreven wordt.

In augustus 2001 bepaalde duidelijk een Koninklijk Besluit de 8 mogelijkheden inzake de wijze van teraardebestelling en een modelformulier bestemd om dit laatste te bekrachtigen.

In september 2001, handelde het Koninklijk Besluit over de vestiging- en controlecriteria’s alsook over het ethische begrip wat betreft crematie.

In november 2001, handelde het Koninklijk Besluit over de samenstelling van de kist die voor de crematie dient.

In december 2001, verscheen een Koninklijk Besluit betreffende de bestemming van de assen op een andere plaats dan het kerkhof. Deze tekst bepaalt, namelijk, de regels van het verloop bij het eventueel verplaatsen van de asurn.



Adobe Acrobat Reader opladen
Acrobat Reader 5.0